Daar ademt de lucht het zuiden in mijn gezicht,
dwars op vlakke commotie, ondoordacht.
Mijn bestaan groeit levend op,
de koele liefhebber wordt hevig minnaar.
Hier ontbrandt zodra het vuur; in verzinsels,
verhaaltjes die het vragen en gaan uitnodigen
samen onschatbaar genoegen te bedenken. Om te bruisen,
kolken, dronken lust te stillen.
Daarin vind ik mijn verloren zelf,
dat ik laat betijen, met nadruk en meer uitleg.
Het feest is onderweg, en het spel,
dat moet gespeeld, je komt er niet mee weg.
Infinitief. De totaliteit gaat best finaal,
eindig rekbaar, maar graag van vooraf aan.
Doelloos gek, hopeloos vrij, zo kan het gaan,
willoos overgeleverd en zinneloos gedaan.